Boeksculpturen

Beuk

Overal ter wereld worden kapotgeslagen lijken gevonden. Wiebe Leeuwerik neemt zijn rol als schoolkrantjournalist iets te serieus en wil het mysterie oplossen.


Moord is geen onderwerp voor een schoolkrantjournalist. Toch liep Wiebe Leeuwerik tegen een uur of twee peinzend naar de rand van het bos, waar ze op 12 april het lijk van mevrouw Buddinger hadden gevonden. Haar hoofd was een geëxplodeerd blik tomatenpuree. DNA-identificatie was onmogelijk; ze had geen ouders en broer meer, en ze had vaak bij de pastoor geklaagd over haar onvruchtbaarheid. De kaakchirurg kon ook niets met de 23 teruggevonden stukjes kaak en kiezen. Misschien had het forensisch team langer tussen de bladeren naar meer stukjes kunnen zoeken, maar de hele provincie liep aan ze te trekken; mevrouw Buddinger was slechts één lijk op de stapel slachtoffers die wel terug waren gevonden. Uiteindelijk wist alleen meneer Buddinger zijn vrouw te identificeren aan de onvolgroeide tweede teen van haar rechtervoet. Maar konden ze dat als bewijs gebruiken nu meneer Buddinger ook bij de verdachten hoorde? 

Wiebe had er iedere week een pen over leeggeschreven. In de schoolkrant publiceerde hij “gevonden” informatie uit het politieonderzoek, interviews met de wijkagent en de achterblijvers, en correspondentie van medeleerlingen over mogelijke verdwijningstheorieën die hij zelf beantwoordde. Maar Wiebe was ook dol op het maken van de Puzzels en Raadsels; hij moest weten waarom het vooral de boswachters waren die verdwenen.

Terwijl de zon in zijn nek brandde, bladerde hij met samengeknepen ogen door zijn aantekeningenboekje. Soms keek hij op om te zien of er niet ergens een drol lag, en om zeker te zijn dat hij nog steeds midden op de asfaltweg richting het bos liep, en niet weer eens midden in een akker of in een lavendelperkje. 

Tuurlijk, het waren niet alleen de boswachters. Hij had een aantal beroepen op zijn lijst, maar die leken veel willekeuriger. Was Aertsen in Swalmen verdwenen, dan liepen in Roermond alle accountants nog rond. De bakkerij in Melick was dicht om om meneer Coulden te rouwen, maar in Herkenbosch was bakkerij Putten nog steeds de plek waar iedereen het over de moorden had.

Wel leek er een patroon te zitten bij de pakketbezorgers: in alle aangrenzende dorpen misten ze wel iemand. Maar toen Wiebe helemaal naar Vlodrop was gefietst, hij een dag lang iedere winkelier had aangeklampt, en zeker 100 mensen op straat had ondervraagd, bleken daar alle pakketbezorgers nog rond te rijden.

Achter in zijn aantekeningenboekje, had Wiebe per beroep het aantal dode en verdwenen mensen bijgehouden. 

 

BOA’s: IIIII

Leraren: III

Boekhouders: I

Heftruckchauffeurs: IIII

Accountants: II

Bakkers: I

Pakketbezorgers: IIIIIIII

Tuinmannen: IIIIIIIIIIIIIIIIII

 

Hij moest niet te veel informatie tegelijk aanpakken, dus stopte hij met lezen bij de tuinmannen. ‘Maar waarom…’ mompelde hij, starend naar het papier, terwijl de kleine steentjes op de weg kraakten onder zijn schoenen. ‘Waar zit de verbinding…?’ Wiebe begon snel met zijn hoofd te schudden, te knipperen, betekenisloze woorden te mompelen. Als hij zich op deze nutteloze taken focuste, kon hij zijn onbewuste forceren te gaan werken. Pakketbezorger – alleen – tuinman – tuin – groen – planten – alleen werken – niemand die ze ziet. Alle slachtoffers waren alleen geweest, teruggevonden op plekken waar weinig mensen kwamen, aan de rand van de dorpen, in verwilderde rijkeluistuinen, rondom de bossen. 

Wiebe krabde aan zijn wang en er sprongen een paar puistjes open. Hij keek op. De asfaltweg slingerde het bos in, maar was niet meer toegankelijk. Lage, met rood-witte-linten-omwikkelde hekken waren om het hele bos heen gezet. Zeventien, had Wiebe neergekrabbeld. Zeventien lijken moesten ze aan de rand van het bos vinden voordat het verboden werd om daar nog te wandelen. De moorden gebeurden op zoveel plekken tegelijk dat de politie tijd, hekken, en linten tekort kwam om alles af te zetten. Dat ging ten koste van iedere wandelaar die geen nieuws keek, of ervan was overtuigd dat hem of haar toch niets zou gebeuren. 

Wiebe pakte zijn smartphone, deed het scherm aan. Bovenop een foto van zijn encyclopedieënset verscheen 13:12. Hij bladerde door zijn aantekeningenboekje. POLITIERONDES. Hij legde de telefoon op de pagina. De surveillance zou tussen 14:20 en 14:22 voorbij rijden. Ze kunnen altijd iets eerder komen. Wiebe draaide zich om en tuurde naar Asenray. Een tractor ronkte de hoek om, maar reed van hem weg. Niemand die stiekem over een laken tuurde dat hij ophing aan een waslijn in de tuin. Hij speurde alle ramen af. Ook daar geen omkleders of schoonmakers of gluurders. 

Hij stak de aantekeningen tussen zijn riem, de telefoon terug in zijn zak en draaide zich om. Na een laatste blik over zijn schouder, sprintte hij naar de omlinte hekken, en sprong er met de elegantie van een slank nijlpaard overheen. Hij pufte nog twintig seconden door tot hij zeker wist dat niemand hem vanuit het dorp nog kon zien.

Eenmaal in veiligheid schuurde iedere ademhaling door zijn keel. Gelukkig had hij weinig lichaamsgewicht om mee te zeulen, anders was hij niet meer bijgekomen. Hij zat wel vaak achter zijn laptop, in het schrijvershuisje in de achtertuin, maar Wiebe was meestal zo geobsedeerd artikelen aan het typen dat hij vergat te eten. Soms kwam hij pas buiten in de schemering, en stapte hij in een bord koude pompoensoep, of op wat broodjes grillworst die zijn moeder voor de deur had gezet. Maar dat hij mager was, maakte hem geen olympische sporter:

Coopertest: 3 rondjes in 12 minuten. 

Honderd meter sprint: 25,3 seconden.

Wiebe had gezworen alleen te rennen als hij daar een goede reden voor kon vinden. Om te voorkomen dat hij die vond, zocht hij er nooit naar.

Pas toen de steek rechts in zijn buik begon weg te trekken, hoorde hij voor het eerst de bladeren ruisen. Wind! dacht hij. Zelfs ‘s nachts was het zo heet dat Wiebe een functioneringsgesprek wilde gaan voeren met zijn ventilator. 

De hitte hielp hem beseffen hoe blij hij was met de moorden. Alle Greta Thunbergjes hadden klimaatsverandering als primaire onderwerp in de schoolkrant geforceerd door Wiebe’s inbox met lezersbrieven te verstikken. Het onderwerp boeide Wiebe wel, maar zijn journalistenhart raakte ontstoken door de richting van de discussie. Het aantal bomenknuffelaars met e-mailadres was toegenoemen. Tevens het aantal emoji’s per e-mail en het aantal mensen dat afsloot met een horoscoopteken achter hun naam. Wiebe was blij dat hij een lege maag had wanneer hij dingen las als:

—“Moeder aarde vecht terug.” 

—“De temperatuur gaat omhoog om ons te straffen voor hoe we de aarde vervuilen.” 

—“De bomen straffen ons door onze CO2 niet meer op te nemen. Omdat we het Amazonewoud kappen, pikken ze het niet meer. Daardoor wordt het zo heet en kunnen wij straks niet meer op aarde leven. Moeder natuur heeft een zelfreinigend vermogen. Kijk maar naar tornado’s en aardbevingen en tsunami’s.”

Wiebe was een professional: journalistiek verantwoordelijk om alles te behandelen en met logica te ontkrachten. Maar de moorden waren een welkom excuus om van onderwerp te veranderen.

De bomen boven hem ruisten door. Wiebe spreidde zijn armen, sloot zijn ogen, en wachtte verlangend op de verkoeling. Maar het enige dat hij voelde waren de zweetdruppels op zijn blote armen en benen die, als de meisjes uit zijn jaar (vooral de blonde), niets liever deden dan van hem wegkruipen.

Wiebe liet zijn armen weer zakken, opende zijn ogen en staarde naar de boomtoppen. De bladeren wiebelden en de takken leken te grommen als een Pekinees. Misschien waait het alleen daarboven? dacht hij. Of de bomen houden de wind tegen? Een tegenwind die alles opheft? 

Toch was het raar. Wiebe kwam vaak in het bos voor de moorden begonnen. Het was alsof de bomen een windtunnel vormden; als het ergens in het bos waaide, dan stormde het op deze weg. Toch was het er windstil terwijl de bomen daarboven fluisterden. 

Ik doe het weer, dacht Wiebe geïrriteerd. Focus, focus. Het leven was een mysterie, en hij wilde graag alles begrijpen, maar helaas ook alles tegelijk. Blijf bij de taak. Één taak. Één oplossing per keer. 

In zijn hoofd liep alles vaak door elkaar. Het bos was altijd de plek geweest waar hij mentale rust kon vinden. Hij kende elk verborgen paadje en open plek; waar het rustig en windstil was, en de afwezigheid van continue nieuwe prikkels zijn denken helder hield. Maar het bos was vooral de plek waar zijn moeder niet steeds op de deur van zijn schrijvershuisje kwam timmeren om hem uit zijn flow te trekken. 

Maar Wiebe ging deze keer niet het bos in voor de rust: wellicht kon hij bewijs vinden. De rand van het bos was de plek waar de meeste mensen waren gevonden. Wiebe had daar al snel een interessante verbinding bij gevonden. Zijn beroepenlijst stopte niet bij de tuinmannen.

 

Boswachters: IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII

 

Uiteraard had hij in De Trompetter maar over één verdwenen boswachter gelezen. Maar Wiebe had systematisch elk beroep van de slachtoffers in Google gecombineerd met woorden als “moord”, “doodslag”, “knuppelmoord”, “knuppelmoordenaar.” Er waren te veel zoekresultaten voor zo’n klein land. Onmogelijk veel kapotte lijken, voor ieder beroep opnieuw. 

Maar Wiebe was niet geïnteresseerd in aantallen. Er waren beroepen met veel meer doden en vermisten dan de boswachters, en de boswachters waren hem zeker niet opgevallen als hij niet ook een tab open had staan van het CBS: AANTAL PERSONEN PER BEROEP. Toen Wiebe besefte dat het om bijna alle boswachters ging — dood of verdwenen — begon zijn hart te bonzen alsof hij tien meter had gerend.

Hij liep verder over de asfaltweg, en trok zijn aantekeningen weer uit zijn riem. De andere slachtoffers waren op eenzelfde manier om het leven gebracht als mevrouw Buddinger: doodgeslagen met een groot voorwerp, waarschijnlijk een honkbalknuppel, gezien de splinters rondom (maar vooral ook in) de lijken. Toch had het politieonderzoek nog niets opgeleverd. Het waren steeds andere houtsoorten: eik, kastanje, berk, spar, beuk. Deze kwamen niet overeen met de knuppels van esdoorn of bamboe van Intersport en Decathlon. De schade aan ledematen, verbrijzelde borstkassen, ruggen en gezichten, leek eerder aangericht met houten palen. Ruwe zelfgemaakte palen die een mens in zijn eentje nauwelijks zou kunnen optillen.

Wiebe trilde bij dat idee. Eindelijk een echt onderwerp! Als hij kon ontdekken waarom de boswachters het voornaamste doelwit waren, kon hij dichter hij de moordenaars komen dan de politie. Het zou zijn verhaal worden. Zijn primeur.

Hij had zijn ontdekte boswachterspatroon aan niemand verteld. De recherche had vast te veel zaken tegelijk lopen om het ook te zien. Het idee dat hij de enige was, voelde alsof hij voor het eerst zijn handen om een stevig paar borsten mocht leggen. 

Wiebe volgde de bocht van de weg tot hij aan de rechterkant het wandelpad vond dat het bos inliep. Aan twee kanten was het pad uitgesleten door een auto, waarschijnlijk die van de boswachter, die er in modderige tijden vaker was afgeslagen. Dit pad volgde hij dus, dacht Wiebe. Verzonken in zijn aantekeningen stapte hij het pad op. Maar hij miste de rol prikkeldraad op de grond. Een metalen puntje sneed in zijn kuit. ‘Hè, kolibrie kutjes.’ 

De bomen om hem heen leken even mee te sidderen toen er een nieuwe windvlaag doorheen trok. Wiebe hoorde het niet. 

Er liep een rode streep over zijn kuit. Stolling – bilirubine – tetanus – jodium – littekens; alle feitjes die hij ooit had gelezen schoten door zijn hoofd terwijl hij gefascineerd naar het bloed keek dat steeds dikker opwelde uit de snee. Hij depte erin met zijn vinger en proefde. IJzer –  hemoglobine – aderlijke bloeding; zijn hoofd stond nooit stil. 

Even bleef hij fronsend bij het opgerolde prikkeldraad staan. Het lag in de rechter uitgesleten groeve van het pad. Vanuit de rol liep er één draad naar een hek dat om een klein huisje met een sticker van GASUNIE stond. Prikkeldraad laten liggen – hek niet afgemaakt – achtergelaten? De politie moest de werkers na de Buddingermoord uit het bos hebben gestuurd. Alles laten liggen. Meekomen. 

Ondertussen liep er een stroompje bloed uit de snee op Wiebe’s kuit. Hij smeerde het uit met speeksel, noteerde het idee over het prikkeldraad in zijn aantekeningen om thuis te googlen, en liep verder het pad in.

Het pad liep omhoog, weer naar beneden, honderd meter rechtdoor en toen naar links. De streep heldere lucht boven hem werd steeds dunner. Hij had nauwelijks door dat het pad smaller werd terwijl hij door de pagina’s ritselde. Misschien hoorde hij daardoor niet dat het ruisen in de bomen steeds heviger was geworden, alsof een kwade windgod aan de takken begon te rukken. En als hij iets eerder had opgekeken had hij misschien meer tijd gehad. Maar toen hij al bijna tegen de groene Toyata Hillux, met in witte letters STAATSBOSBEHEER achter op de laadbak, aanliep, had hij nog maar drie seconden. In de eerste seconde staarde hij verbaasd naar de resten van de Toyota. Het was alsof de auto onder een steenlawine was beland en iemand daarna de stenen had verstopt; de auto leek aan alle kanten in elkaar geknepen. In de tweede seconde zag Wiebe de arm uit het kapotgeslagen portier hangen. In de derde seconde probeerde hij na te denken. Misschien had hij in de vierde seconde naar de Toyota toe kunnen lopen, en kunnen zien dat het dak en de voorruit zodanig in elkaar waren gedrukt, dat de inhoud van de boswachter uit hem was geperst en in een donkerrode smurrie tussen de pedalen lag.

Maar nog voor Wiebe fatsoenlijk kon fronsen, kreeg hij de eerste klap tegen zijn elleboog. Duizend volt schoot door zijn arm. ‘AAAAAARGH!’ Hij wilde zijn arm vastpakken, maar een klap tegen zijn bovenrug sloeg hem tegen de grond. ‘Hmmpf,’ kreunde hij, alle lucht uit hem verdwenen. Wiebe wilde overeind schieten, maar zijn voeten renden al voordat hij zijn bovenlijf had opgetild. Hij viel voorover, maakte een spartelende koprol en had genoeg momentum om zichzelf omhoog te trappen. 

Zijn benen renden vanzelf. Van alle kanten werd hij gegeseld. Er klonken geluiden alsof de lucht versneden werd. Wiebe draaide zich om, net toen een nieuwe knal zijn linkerheup raakte. Pijn schoot door het bot. Hij vloog in de eerste richting die hij zag toen de wereld stopte met draaien: een brede opening het bos in. 

Terwijl hij tussen de bomen zigzagde leken tientallen mensen hem te volgen. Ze bleven hem slaan met stokken, balken, knuppels. 

Oh nee nee nee, dacht Wiebe. Hij vergat waarom hij in het bos was, wilde vooral blijven leven. Hij wist niet meer waar hij was, welke richting hij opging, of hij ooit nog uit het bos zou komen, en zo ja, of hij op de velden en de akkers zijn belagers wel kon ontlopen.

Een zwerm scheermesjes gleed door zijn wang. De adrenaline verdoofde de pijn, maar in een reflex draaide Wiebe zijn hoofd weg bij de sensatie. Daar! Ja! De zon, als een schijnwerper tussen de bomen. Een groot vlak licht. 

De bosrand.

Wiebe sprong over een boomstam, hinkelde om braamstruiken heen, kreeg nog een krakende klap tegen zijn hoofd en gooide zichzelf in het licht. 

Vrij! 

Maar om het moment dat hij sprong verscheen er een schim in het licht. Wiebe knalde er tegenaan, viel terug naar achter en landde op zijn rechterpols die hard kraakte. ‘AAARGH!’

Ergens riep een stem, ‘Kruipen! Deze kant op! Kruipen!

Wiebe keek naar boven en zag een groeiende schaduw op zijn hoofd afdalen. Hij rolde opzij, voelde de grond naast hem trillen en hoorde een ritselende explosie. Iets greep zijn voet. Hij werd een stuk de plek opgetrokken waarvan hij eerst dacht daar veilig te zijn. Hij probeerde zijn vingers in de grond te slaan, maar hij vond geen grip. ‘Nee nee nee!’ riep hij. ‘Nee, please!

‘Houd je sneer,’ zei een geïrriteerde stem. ‘Hier kunnen ze niet bij. Doe rustig.’ De stem gorgelde alsof de woorden zich door een emmer slijm heen worstelden. Maar het maakte Wiebe niet uit hoe het wezen klonk. Hij trapte zijn voet los en probeerde overeind te komen. Maar hij zakte meteen door zijn pols en werd overspoeld door misselijkheid toen de pijn door zijn vingers schoot. ‘Aaah, kutje. Nee, grote kut. Aaah, fuck.’ Hij pakte zijn rechterpols vast met zijn linkerhand, maar daarbij leek iemand een pin in zijn linkerschouder de steken. ‘Auw!’ Hij liet zijn beiden armen hangen.

‘Nou, gefeliciteerd,’ zei de schurende stem, ‘welkom in onze Robinson-Crusoë experience.’ Wiebe zag korstige voeten op de geplette gras tikken. Toen hij bleef jammeren zei de stem, ‘Oké, hier heb ik geen zin in. Ik hoor het wel als je blijkt te kunnen praten.’ 

Wiebe probeerde de voeten te volgen, maar ze verdwenen bijna meteen tussen het hoge gras en waren ook snel buiten het gebied waar Wiebe nog scherp kon zien.

Licht in zijn hoofd. Hij probeerde rustig adem te halen, elke diepe teug sneed door zijn bovenrug. Enkel kleine stootjes lucht. Pijn in zijn botten, misselijk, geratel van zijn adem, knallen van zijn hart, zwart om zijn ogen; flauwvallen? dacht hij met een sprankeltje fascinatie. Maar het zwart om zijn ogen trok traag weg. Zijn rechterwang bonsde en hij voelde dat zich daar een dikke jus verzamelde die naar zijn kin gleed en er vanaf droop. Maar zijn zicht kwam langzaam terug en hij begon de plek te herkennen.

Wiebe had hier vaker in de koelte gezeten. Maar al het groen had nu plaatsgemaakt voor één-meter-hoog bruin savannegras. De boomgrens was om het veld gevouwen als vingers die het oké-teken gaven. Maar waar de vingertoppen elkaar hadden moeten raken, lag de oever van het ven dat ook omcirkeld was door eiken en beuken. 

Bij het water stak een zwarte vrouwenonderbroek boven het gras uit. Aan het tekenen op de grond? dacht Wiebe. Ze kwam overeind in een zwarte BH, zette haar handen in haar zij, en bleef naar beneden kijken. Geen kleren? Wiebe voelde een korte kriebel door zijn kruis glijden. Maar zijn lichaam was zo vol pijn gelopen dat hij geen erectie kreeg. Misschien kwam dat ook door haar ongewone, grijs-bruine huidskleur. 

Wiebe wist zichzelf, door een pijnscheut in zijn heup heen, overeind te krijgen. De pijn in zijn pols sloeg meteen op zijn maag en hij kokhalsde heftig. Na een paar snelle stappen door het hoge gras keek hij pas achterom. Niemand tussen de bomen. Geen mensen met palen in hun handen die in de schaduw op en neer liepen. Alleen boven hem hoorde hij geritsel. Geritsel terwijl er nog steeds geen wind over zijn armen gleed. Zijn ze in de bomen geklommen?

Wiebe probeerde iedere zucht lucht gecontroleerd naar binnen te zuigen terwijl hij naar de vrouw strompelde. Ze keek pas op toen hij haar aansprak. ‘Mevrouw—’ Ze had helemaal geen vreemde huidskleur: uitgesmeerde gedroogde drek zat over haar hele lichaam. Aarde – modder – olifanten – aboriginals – zon. Ze moest modder uit het ven als zonnebrand hebben gebruikt. ‘Waar zijn uw kleren?’

De ogen van de vrouw leken ver weg toen ze hem aankeek. Even lichte er een vonkje in haar pupillen op. ‘Jij moet een telefoon hebben,’ zei ze, terwijl ze naar Wiebe’s zakken keek.

Telefoon – bellen – hulp – helikopter. Wiebe voelde een irritante woede opkomen; niemand mocht sneller oplossingen verzinnen dan hij. Tegelijkertijd besefte hij dat als ze moesten bellen, ze dus niet zelf terug konden door het bos. 

‘Wat was dat?’ vroeg Wiebe terwijl hij met zijn hand naar de bomen wees. Door zijn arm op te tillen trok er een pijnscheut door zijn bovenlijf.

‘Jongen, je telefoon, kom op.’ Ze hield haar hand uit. ‘Ik wil hier eindelijk weg.’

Eindelijk? Wiebe peuterde met zijn ongebroken linkerhand in zijn broekzak. Het scherm van zijn Sony Xperia was een zwart mozaïek dat hij niet meer aankreeg; hetgeen dat zijn heup had geraakt had ook zijn telefoon verbrijzeld. 

De vrouw blies uit en keek naar de lucht. ‘Godver,’ riep ze. De echo kwam terug over het water terwijl er tussen de bomen een ruis opzwelde en weer weg stierf. De vrouw stond op en begon in het niets om zich heen te slaan. 

Iedereen heeft toch een telefoon? dacht Wiebe. Maar toen zag hij dat de vrouw helemaal niet op de grond had zitten tekenen. In het stuifzand van de oever lagen tientallen sigaretten op een rij, als verdronken matrozen. Sigaretten, zon, warmte, drogen. De vrouw moest ergens aan de overkant in het ven gesprongen zijn om haar belagers te ontvluchten. 

‘Is uw telefoon kapot gegaan toen u hier naar toe zwom?’ Wiebe keek nog een keer naar de sigaretten, maar daar lag geen mobiel tussen. Eerst leek de vrouw hem niet te horen en bleef nog even om zich heen slaan. Maar na een paar rondjes ging ze voor hem op en neer lopen en zei ze luid, ‘Nou, gelukkig ben je geen mongool. Zelfs helemaal droog kreeg ik hem niet meer aan. Hij ligt nu ergens in het meer.’ 

Ven, dacht Wiebe, maar hij onderdrukte zijn verbetering. 

De vrouw raasde verder. ‘Misschien heeft Sherlock Einstein een idee hoe we die van hem kunnen krijgen? Met zijn orka orka orka.’ De vrouw gebaarde, alsof ze een vlieg weg sloeg, naar het bos achter Wiebe. 

Een orka in het bos? Wiebe draaide zich om en zag toen pas waar hij tegenop geknald was toen hij het grasveld op was gerend. Er snelwandelde een man langs de bosrand. Het Adidas logo stond uitgerekt op zijn strakke, zwarte joggingbroek. Waarschijnlijk waren zijn benen net zo gespierd als zijn bungelende linkerarm die hij vasthield met zijn rechter. Hij mompelde. Wiebe hapte naar adem toen hij plots zag wat hem in het bos aangevallen had. Ongelofelijk... Hij was voor bewijzen, tastbare bewijzen, maar een hersenschudding leek waarschijnlijker dan dat zijn ogen de waarheid registreerden. Was hij bewusteloos? Een droom een psychose een hallucinatie…?

De bomen bogen met grote snelheid op de man af en leken hem de grond in te willen slaan. Als hij een halve meter naar rechts had gelopen, waren ze daar in geslaagd, en was hij onder de honderden kilo’s hout verpletterd. De man had een pad gevormd door het verdorde gras langs de bosrand en het ven plat te lopen. Wacht, maar hoe vaak is hij daar dan al langsgelopen? dacht Wiebe. Het vertrapte pad zag eruit alsof de avondvierdaagse er overheen was gegaan. 

‘Hij was er gister al toen ik aan kwam zwemmen in die stinkzooi.’ De vrouw was naast Wiebe komen staan. Ze ademde niet, ze gromde; een rochel die klonk alsof ze zichzelf rustig probeerde te houden. Nu ze naast hem stond rook Wiebe pas het Philip-Morris parfum dat bijna tastbaar om de vrouw heen hing. De teerlucht kroop over zijn tong naar achter en kneep in zijn huig. Hij draaide zijn hoofd weg en kokhalsde zo onopvallend mogelijk. 

Hij slikte de fantasie van een sigaret in zijn keel door. ‘U heeft hier geslapen?’ vroeg hij, en even voelde hij een kooltje enthousiasme opgloeien in zijn hoofd. Wat een verhaal!

‘Ik wel ja. Ik moest midden op dat veld liggen omdat ik iedere keer wakker werd als hij met z’n gemijmer langs kwam schuifelen. “Orka orka orka!” Zijn arm hangt er raar bij, maar hij moet ook een klap tegen zijn schedel gekregen hebben. Free Willy is in ieder geval nog niet op komen dagen.’

Wiebe luisterde nauwelijks. Zijn volledige neuronenbrij was gaan draaien. Even leek het antwoord weer weg te glippen, zijn onbewuste in. ‘Oh, kut cantate kikkerdril.’ Hij begon weer met zijn hoofd te schudden, te knipperen, te mompelen. Hij schudde zijn hoofd nog wat sneller op en neer. De tandwielen van het geheel vielen in elkaar en de machine begon te stomen, de lopende band veranderde van richting en de informatie kwam weer terug. 

Het zijn de bomen. 

Over de hele wereld verdwenen mensen, of werden ze kapotgeslagen teruggevonden aan bosranden en in grote tuinen. De boswachters… Klik klik klik; zijn brein stoomde nu als een volledige logicafabriek. Door de stoot adrenaline voelde de pijn in zijn lijf als niet meer dan een paar blauwe plekken.

Geweldig! dacht Wiebe. Dit is geweldig! Hij trilde en voelde zijn gezicht warm worden. Hij wilde zijn aantekeningenboekje pakken. Maar op de plek waar hij ze in zijn riem had gestoken zat niks meer. Hij taste nog even zijn korte broek af, alsof hij daarin gegleden kond zijn. ‘Kut koraal kolenmijn!’ Verloren toen hij de klappen kreeg. 

Hij vond nog een paar verfrommelde blaadjes in zijn zak, maar zonder de pen, die hij met een touwtje aan het verloren boekje had vastgemaakt, kon hij niets. Alles zou door zijn hoofd moeten blijven kolken tot hij een pen of een laptop had.

Hij keek naar de neerslaande bomen. Het leek bijna een menselijke agressie, alsof de planten een eigen lichaamstaal hadden. Schitterend dit. Wiebe moest thuis zien te komen, alles opschrijven, in zijn laptop voeren. Dat hij daar op het veld vastzat, dat de bomen hem hadden kunnen doodslaan, dat ieder mogelijk reddingsteam alleen door de lucht kon komen, zag Wiebe enkel als een berg gegevens. De oplossing moest worden geëxtraheerd.

Hij strompelde naar de snelwandelaar. Nee, dacht hij meteen. Wiebe, sukkel. Hij draaide zich weer om naar de vrouw. ‘U heeft al geprobeerd om zijn telefoon te pakken, toch? Maar hij is te sterk?’

De vrouw leek hem te willen bespringen. Toen ademde ze opzichtig uit en stak haar duim even snel omhoog.

‘U heeft proberen te praten, dat lukte niet. U heeft het fysiek geprobeerd, dat lukte ook niet. En als hij in slaap gevallen zou zijn, had u hem uit zijn zak proberen te stelen. Maar ik vermoed dat hij nog niet geslapen heeft?’

De vrouw leek het gesprek met handgebaren voort te willen zitten en flitste weer haar duim omhoog. Maar ze bleef staan, ze bleef luisteren.

‘Maar hoe lang kan hij dit volhouden?’ mompelde Wiebe. ‘Hij liep al rondjes toen u hier gister aankwam. Dan zal hij al meer dan een dag aan het lopen zijn.’ Wiebe keek wat beter. De snelwandelaar schommelde wat. Zijn lichaam trilde. ‘Geen mens kan altijd lopen. Ik vermoed dat we moeten wachten tot hij in elkaar zakt.’

‘Waarop denk je dat ik al de hele dag wacht…’ zei de vrouw tussen haar tanden door. ‘Ik ben mijn sigaretten maar gaan drogen omdat hij maar niet opgeeft, en ik iets moest doen in de tussentijd.’

Wiebe knikte snel, trok een gezicht bij de pijn in zijn schouder en bovenrug, knikte wat langzamer. Een glimlach kwam op… en zakte weer in. ‘Tenzij zijn telefoon dan al leeg is.’

Samen staarden ze naar de man toen hij voorbijkwam. ‘Orka…’ kreunde hij. ‘Oh, Orka. Orka.’ 

Wiebe zocht in zichzelf, op zoek naar meer informatie, meer verbindingen, meer oplossingen. Wat als we zijn telefoon niet krijgen? – telefoon maken? – we hebben alleen die van mij – geen schroevendraaier om scherm te verwijderen – geen reserveonderdelen – geen reservescherm – wat als er nooit telefoons waren? 

In gedachten draaide hij zich om en staarde in het verdroogde gras. 

Hoe deden ze dat vroeger? – koerier – blikjes met een touwtje ertussen – postduif – andere culturen? – communicatie in de bergen – fluittaal in bergen op La Gomera – andere tijden? – middeleeuwen – wilde westen – Indianen— 

Rook. 

Wiebe draaide zich weer terug naar de sigaretten. ‘Mevrouw, u heeft een aansteker.’ 

Even staarde ze hem aan. Toen begon ze langzaam te klappen. ‘Bravo. Kan je daarmee bellen?’ Ze gooide haar armen in de lucht.

‘Als we rook maken’ — Wiebe’s ogen werden groot. De stoot adrenaline was zo overheersend dat hij zelfs zijn gebroken hand tot een vuist kon maken — ‘worden we gezien.’ Hij liet zijn armen weer zakken. ‘Maar hebben we in dit land blusvliegtuigen? Blushelikopters? De brandweer zal door het bos komen…’

De vrouw kneep haar ogen samen. ‘Als… het bos er dan nog is. Het is al weken superdroog.’ Ze stapte met één blote voet op het gras dat krakend omboog. De vrouw liep snel terug naar de oever, raapte een vreemde, dikke sigaret op. ‘Ligt al een paar uur te drogen.’ Ze hield hem even omhoog. ‘Hoop van zegen.’

Toen zag Wiebe pas dat het helemaal geen sigaret was. De vrouw hield een witte aansteker vast. Ze bewoog haar duim over het radertje. Ssssssk ssssssk ssssssk— een vlammetje. Het was zo windstil dat het bijna niet wakkerde. ‘Droog!’ De vrouw glimlachte (waar ze net zo’n talent voor had als Wiebe had voor rennen), liet de vlam uitgaan en stak de aansteker voor in haar slip.

Geïrriteerd zag Wiebe hoe de vrouw niet wachtte tot hij het plan had uitgedacht, en zelf al gras begon uit te trekken. Hij voelde de neiging om meteen mee te helpen, de controle over te nemen, maar dacht toen aan het bordje boven zijn bureau in het schrijfhuisje: IMPULSIVITIJD! 

—Iets dat voortkomt uit impulsiviteit, zal uiteindelijk meer tijd kosten dan iets waar eerst over is nagedacht. 

Droogte – vuur – bosbrand – vrijheid. Vuur – brandstof – zuurstof – hitte. Ze konden het ven in als het te heet werd. Ook als ze niet meer goed konden ademen. Maar Wiebe begon onrustig te worden. Hij voelde dat er nog meer was om rekening mee te houden. Maar hij kon niet bij die gedachten nu de vrouw, in het midden van het veld, gras uittrok, en op een snel groeiende stapel bleef gooien.

Oké, dacht Wiebe, rustig. Denk. Maar de vrouw was zo verwoed gras aan het verplaatsen, dat Wiebe’s mentale rust door steeds meer trillingen in zijn lijf werd overgenomen. 

De spanning in zijn benen sprong los. Hij sprintte naar haar toe, zakte door zijn pijnlijke heup, strompelde verder, en begon ook grote halmen met zijn linkerhand los te trekken en op de berg te gooien. Het droge gras sneed in zijn vingers, rook naar het maaiseizoen rondom het dorp. Het dorp. Ik moet terug. Het uittrekken, bukken, heen en weer lopen, alles in de brandende zon: het zweet verzamelde zich tussen zijn bilspleet. 

Hij had nog maar een paar halmen losgetrokken toen hij het al hoorde. 

Ssssssk 

‘Nee!’ zei Wiebe, ‘Nog niet!’ Hij zweette nu overal. De geknielde vrouw hield een vlammetje bij de hooiberg, maar het leek niet meteen aan te gaan. Ssssssk Ssssssk. 

Wiebe moest de controle terugkrijgen. ‘Hier,’ zei hij, terwijl hij de verfrommelde pagina’s, die hij uit zijn verloren aantekeningenboekje had gescheurd, uit zijn zak haalde en aanbood. De vrouw keek even op, rukte het uit zijn handen, stak het aan en schoof de groeiende vlammen tussen het gras. 

Het gras vatte vlam en het vuur groeide snel. Wiebe draaide zich om. ‘Meneer,’ riep hij naar de man die net voorbij het ven strompelde, ‘we gaan dit aansteken!’ Maar de man bleef doorlopen. Wiebe keek een paar keer op en neer tussen de man en het vuur. Hij zal wel komen, dacht hij uiteindelijk. Zelfs een dove voelt het als zijn schoenen branden.

Wiebe en de vrouw trokken zich terug naar de oever van het ven terwijl de cirkel van vuur groeide en naar de bomen sloop. En naar de oever. Wiebe keek achterom. Hij had geen zin om te zwemmen. Fysieke activiteit. Geen reden voor. Maar het water gaf hem een nieuw idee. 

‘Kunt u helpen?’ vroeg hij aan de vrouw. ‘Wiebe, trouwens.’ Hij stak uit gewoonte zijn rechterhand uit, liet hem door de pijn weer zakken, en stak zijn linker uit.

De vrouw nam hem aan en glimlachte geforceerd. ‘Hennie. Wat wil je?’

Wiebe gebaarde naar het ven. Het water stond laag. Wiebe ging zitten en liet zich van de verhoogde oever afzakken in een prutje modder waar zijn schoenen meteen in weg zogen. Met een slurpend geluid trok hij ze los en stapte in het eerste laagje water. Hij maakte een kom met zijn linker hand en begon water over het bruine gras te gooien. Het pletste over Hennie’s sigaretten. 

‘Oh, sorry,’ zei Wiebe.

Hennie trok haar schouders op. ‘Heb thuis genoeg.’

Thuis.

Hennie sprong met veel gespetter naast hem en hoosde mee. Wiebe merkte dat het koude water zijn linkerhand verdoofde. Hij dompelde zijn rechterhand een tijdje onder, en toen die ook voldoende gevoelloos was geworden, kon hij met twee handen een kom vormen.

Fuck,’ zei Hennie ineens. Ze rekte zich uit en staarde naar het brandende veld. ‘Mijn kleren liggen daar nog er—’

‘Nee!’ bulderde er over het veld. ‘Nee! Orka! Orka!’

In het midden van het veld was een zwarte cirkel ontstaan. De vuurring was nog maar een paar meter van de bosrand. Net toen Wiebe omhoog kwam stapte de snelwandelaar het vuur in en begon hij op de grond te stampen. Wiebe wilde Hennie gefascineerd aankijken, maar Hennie was al uit het water geklommen.

‘Het gaat hem toch niet lukken!’ riep Wiebe. Maar Hennie rende al naar links. Ze bleef precies tussen het platgetrapte graspad en de vuurlinie. De bomen beukten vlak naast haar neer. Toen ze bij de man aankwam, sprong ze zelf twee meter het vuur in, greep zijn hangende arm, en trok hem mee het vuur uit in de richting van de bomen. Hij bewoog mee alsof hij van stro was, zijn lichaam verzuurd en slap. Hij probeerde Hennie te slaan, maar zijn vuist gleed over haar arm alsof hij haar aan het aaien was.

‘Nee, nee, Orka! Orka!’ bleef de man roepen.

De vlammen waren ondertussen bijna bij de bosrand. De geur van verbrand gras prikte in Wiebe’s neus. ‘Het vuur!’ riep hij. 

Hennie probeerde de man richting het ven te sleuren, maar zelfs als ze in haar eentje had gerend, had ze het moeilijk gehaald. Ze zaten vast tussen het vuur en de bomen. 

Hennie rukte nog een keer aan de man, die bijna omviel. Na een fractie stilstaan, duwde Hennie de man hard het vuur in. Wiebe ademde geschokt in. Even leek Hennie langs de boomgrens naar Wiebe toe te willen rennen. Maar na een paar passen keek ze over haar schouder: de man stond nog steeds stil in het vuur. ‘Sukkel!’ schreeuwde Hennie. Ze rende terug, sprong zelf in het vuur en gaf hem een duw. De man wankelde een paar stappen verder. Hennie sprong achter hem aan, gaf hem nog een duw. En nog één. De man viel in de cirkel van verkoold gras. 

Hennie sprong uit het vuur en boog voorover. Ze bewoog haar handen twijfelend heen en weer naar haar bovenbenen, alsof ze bang was ze aan te raken. Zelfs van die afstand kon Wiebe haar samengeknepen gezicht zien.

Blijkbaar ontsnapt uit zijn trance, schreeuwde de man ineens. Zijn broek leek niet in de fik te staan, maar toch probeerde hij met zijn rechterarm onzichtbare vlammen uit te slaan. ‘Aaaah!’ schreeuwde hij opnieuw, terwijl hij zijn hand wegtrok en er naar staarde.

Het vuur was ondertussen bijna bij de oever. Rook kroop als scherpe vlokken in Wiebe’s longen. Hij hoestte en kokhalsde tegelijk. ‘Rollen!’ probeerde hij tussen het proesten door te roepen. ‘Liggen en rollen!’

De man keek zijn kant op. Maar in plaats van te gaan liggen, sprintte hij in een laatste overlevingsspurt richting Wiebe. Bij de waterkant aangekomen zag Wiebe zijn pupillen, onzichtbaar klein in bijna volledige witte ogen. Er stak een wind op die voor kleine golfjes op het ven zorgde. 

‘Nee!’ riep Hennie, die pas opkeek van haar verbrande benen toen de man al bijna bij Wiebe was. ‘Niet in het water!’ Er liep nog maar een klein lijntje vuur dat werd tegengehouden door het nat gegooide gras. De man sneed er doorheen. Met het laatste beetje kracht sprong hij vanaf de oever, helemaal over de modder heen, in het water. Wiebe sloot zijn ogen toen het water in zijn gezicht spatte.

‘Zijn telefoon!’ riep Hennie, terwijl ze ook hun kant op rende. ‘Red zijn telefoon!’

De man zweefde op zijn rug in het water. Elke spier in zijn gezicht leek samengeknepen. Hij huilde, maar leek geen energie meer te hebben om er geluid bij te maken. Hij reageerde eerst niet toen Wiebe naar hem toe spetterde. Maar toen Wiebe aan de rand van de telefoon trok die uit zijn broekzak stak, schreeuwde hij. 

Het was een oude Nokia. Helaas was de joggingbroek waar hij uitkwam van polyester: de gesmolten stof was tussen de toetsen gekropen. Met zijn duim voelde Wiebe het harde spul. De toetsen waren onbruikbaar, maar ook het gedeelte van het scherm waar geen gesmolten zooi overheen lag, was verkleurd, gebakken in de vlammen.

Hennie sprong in het water. ‘Geef! Ik wil WEG!’

Wiebe hield de telefoon omhoog die droevig nadrupte.

‘Schudden! Schud het water eruit!’ Hennie rukte de telefoon uit Wiebe’s handen en begon hem op en neer te wapperen. Maar ze voelde het gestolde materiaal tussen haar vingers. Ze staarde er een paar seconden naar.

God was misschien de enige geweest die hen nog had kunnen redden. Maar omdat Hennie Hem zo diep begon te vervloeken, was die kans ook verspeeld. God uitte zijn ongenoegen door uit te blazen tussen zijn lippen. 

De wind, dacht Wiebe verbaasd. De lucht die langs zijn huid gleed kwam van het veld. Wiebe’s mond viel open. De hele ring bomen was massaal op en neer aan het buigen, als een ritueel om het veld te eren. Ze sloegen tegen de grond en bliezen de vlammen de andere kant op, waar ze langzaam doofden tegen het al verbrande gras. Het vuur dat toch een beetje verder kon kruipen, werd doodgeslagen door een waaier van takken en bladeren. Nog voordat Hennie dertig keer “godverdomme!” had kunnen brullen, waren de vlammen verdwenen. Ze bleven achter met een zwart narokend oog dat naar de helikopterloze hemel staarde.

De bomen waren stil.

Hoe boeiend het tafereel ook was, Wiebe’s instinct begon de drijvende man meteen vragen te stellen. ‘Hoe bent u hier gekomen? Vanuit welke richting?’

Maar de man leek niets te horen. ‘Orka… Orka…’ was het enige dat hij tussen het snikken door zei. Zijn ogen waren doorzichtig, diep; het einde van alles.

‘Houd je kop toch!’ schreeuwde Hennie. Ze hief haar vuist op, maar sloeg naast de man in het water. Golven sloegen over hem heen, maar hij knipperde niet eens.

Wiebe liet zijn blik naar de benen van de man glijden en hapte naar adem. Wat interessant! Het polyester van zijn joggingbroek was in zijn benen gesmolten, rondom dieprode brandwonden met een duidelijk reliëf. Toen begreep Wiebe waarom hij zo had geschreeuwd toen Wiebe zijn telefoon uit zijn zak trok: alles was met huid en al losgescheurd. Als Wiebe’s mobiel het nog deed had hij zeker mooie foto’s gemaakt voor zijn verslag.

Maar Wiebe’s hoofd begon te tollen toen hij alles probeerde te verwerken. Het bos zou niet afbranden, kon niet afbranden, kon dat zelf voorkomen. In de lucht hing enkel een kleine rookwolk die al uit elkaar aan het vallen was. Niemand zou dat zien. De laatste telefoon was vernietigd. Communicatie: dood. 

Waar zit de oplossing als wij geen middelen meer hebben? Hij keek naar de man die dreef in water en pijn. Naar Hennie die, met moddervoeten en roodverbrande benen, de oever opklauterde, op haar hurken ging zitten en haar vingers tussen haar haren stak. Mensen gaan hen toch ook missen? Maar de autoriteiten hebben het te druk; te veel vermisten; zij zijn geen prioriteit. Dat weet hun familie ook; die gaan zelf zoeken. Maar — en mijn moeder?

Wat als zijn moeder, tegen alle regels in, toch naar het schrijfhuisje in de tuin zou komen? Als ze na het kloppen geen reactie kreeg, even via het raam naar binnen spiekte, en hem niet zag zitten? Merkte dat de deur op slot zat? Paniek, zeker paniek. De deur zou ze open trappen, een raam ingooien met een tuinstoel. Ze zou hem niet vinden. 

Ze heeft nooit de rust om naar de politie te gaan, dacht Wiebe geschokt. Ze zou zelf gaan zoeken, rondfietsen door het dorp. Misschien hadden mensen hem zien lopen, wellicht zelfs richting het bos. Maar ze wist zelf ook dat hij vaak in het bos was. Ze zou gewoon over de hekken heen klimmen. Oh kut capoeira. Wiebe moest naar huis. Hij wreef even met zijn knokkels tegen zijn voorhoofd, zijn gedachten masserend. 

Hennie was weer begonnen met schreeuwen. Het geluid trok weg over het ven en tussen de bomen. Toen hoorde Wiebe een puzzelstukje. Het was alsof Hennie’s schreeuw het bos in trok en de bomen onrustig werden. Geritsel, tientallen meters van de boomgrens, rolde door het bos.

Hennie liet haar hoofd tussen haar knieën hangen en leek het schreeuwen op te geven. Wiebe stapte door de slurpende modder heen de oever op, en zette zijn ongebroken linkerhand om zijn mond. ‘AAAAAAAAH!’ schreeuwde hij over het veld. Het geritsel in het bos golfde even in volume. Wiebe liep een paar meter dichter naar de bomen.  ‘AAAAAAAH!’ De bladeren wiebelden. Hmmm, schreeuw – geritsel dat wegtrekt vanaf plek van schreeuw – reageren op geluid – bomen verderop ook – geluidssnelheid: 343 meter per seconde – maar bomen verder in bos reageren te traag – geluid is er allang voorbij als ze reageren. Net toen alles samensmolt tot een conclusie die hij alleen maar in zijn bewustzijn hoefde te trekken, bewoog het geritsel in het bos de andere kant op. Het kwam op hen af.

Steeds wilder ruisten de bladeren. Alsof er iets door de kruinen kroop. Wiebe legde zijn hoofd in zijn nek en voelde weer een pijnscheut in zijn bovenrug. Op hetzelfde moment dat hij zijn ogen samenkneep, schoot er iets piepends, een zwart-witte flits, het veld op. De bomen sloegen veel te laat op de Border Collie neer; waar ze de snelwandelaar op een paar centimeter hadden gemist, klapten ze pas vele meters achter de hond op de grond.

De hond draaide haar kop om naar Wiebe, keek naar Hennie bij het water. Ze snelde verder het veld op, het verkoolde gras krakend onder haar poten, kwam twijfelend tot stilstand. Ze kwispelde onzeker en begon te blaffen, iedere klank een mix van gehuil en gepiep.

Wiebe wilde naar de hond toe lopen, maar toen hoorde hij gekreun uit het water. ‘Orka? Orka?!’ 

De hond deed zijn bek dicht, kop en oren omhoog, staart stijf naar achteren. Een paar kleine pasjes. Toen rende ze over het zwarte gras naar het ven. Bij de oever bleef ze staan, keek nog een keer om naar Wiebe, weer naar Hennie, piepte, en zag de man in het water liggen. Meteen sprong ze naar beneden en landde in de modder. Ze trok haar pootjes jankend los, en spetterde door het water naar de man. Ze begon zijn gezicht te likken.

‘Orka,’ zei de man, net zo jammerend als de hond. Het lukte hem om één arm op te tillen en op de kop van het dier te leggen.

Wiebe was ondertussen bij het water aangekomen. Hennie stond op. Ze keek even toe, maar liet toen haar armen hopeloos vallen. ‘Ik hoop dat dat beest Lassie heeft gekeken,’ zei ze cynisch, ‘dan kunnen we vragen of ze hulp gaat halen.’ Ze schudde geïrriteerd haar hoofd en draaide zich om. ‘Hebben we in ieder geval iets te eten,’ mompelde ze.

De man leek emotioneel net zo versmolten met zijn hond als zijn broek met zijn benen. 

Die hond, dacht Wiebe. Die woorden zetten nieuwe radertjes in zijn hoofd op hun plek. Hoe komt die hond hier?

Klik klik klik.

‘WeNee, niet alle drie. Wiebe nam de toestand van de man in zich op en richtte zich tot Hennie.‘Wij twee… We kunnen hier weg.’ Hij zei het voorzichtig terwijl hij nog een keer over de informatie heen hing. Een risico, dacht hij, maar het kan. Het moet.

‘Nou, kom op. Hoe?’ zei Hennie.

‘U zei dat die man hier al meer dan een dag moest zijn. Als dat zijn hond is, dan heeft die hond al een dag door het bos gezworven. En die hond leeft nog.’ Hennie draaide snel rondjes met haar handen om aan te geven dat hij door moest gaan. ‘En de bomen probeerden de hond te raken,’ ging Wiebe verder, ‘maar dat lukte totaal niet. Ze waren te traag.’

‘Ja, en ons hebben ze wel geraakt,’ zei Hennie kwaad. Ze trok rechts haar kleverige haren omhoog, en liet korsten bloed en losgescheurde stukken van een oor zien. ‘Dus zo traag zijn ze niet. Ze sloegen ook steeds precies naast die man toen hij langs het bos liep.’

‘Ja, klopt, klopt!’ Wiebe begon op en neer te wippen. Hij vergat zelfs Hennie’s kapotte oor te bestuderen. Hij zag hoe het werkte. ‘Maar die man liep in een vast tempo steeds dezelfde route. Die bomen snappen dat, communiceren dat. Met dat geritsel? Of met hun wortels?’

‘Ah, kom op jong.’ Hennie draaide met haar ogen. ‘Ze bleven de hele tijd op die vent inslaan terwijl ze hem niet konden raken. Oh, wat zijn ze slim.’

‘Hij wankelde tijdens het lopen.’ Het was zo duidelijk. Wiebe liet zijn mond openvallen. Wauw, kunnen bomen dit? ‘Een klein stapje naar rechts, en ze hadden hem te pakken. Ze anticipeerden op het moment dat dat zou gebeuren. Ze slaan niet zomaar op mensen neer. Ze hadden ook gewacht toen ik het bos in kwam tot ze me konden raken. Ze zijn echt heel slim! Zo hebben ze al die mensen kunnen doden zonder dat iemand het doorhad! De boswachters die— De boswachters! Ja, dat is het!’ Wiebe roffelde met zijn vingers op zijn bovenbenen alsof hij de woorden uittypte.

Hennie deed haar mond open om iets te zeggen, maar sloot hem weer en luisterde.

‘Maar traag,’ ging Wiebe verder. ‘Ze hebben mij geraakt omdat ik in één rechte lijn vluchtte. Ze communiceerden met elkaar waar ik heen liep en konden mij zo steeds raken. Maar die hond’ — hij wees naar Orka — ‘die schiet alle kanten op, en heel snel. De bomen konden totaal niet inschatten waar zij heenging en konden haar zo niet raken. Ik denk dat die hond ook ergens een open plek had zoals wij.

‘En vandaag is het de hele dag al windstil. Maar toen die bomen het vuur uitwaaiden, hebben ze onze geur het bos in geblazen. En jouw uhm… geschreeuw?’ —  hij keek even voorzichtig naar Hennie, maar die leek het niet beledigend te vinden — ‘heeft hem ook hier naartoe gelokt. Toen ik daarna ging schreeuwen was ze al in de buurt en heeft ze ons gevonden.’

Maar Hennie had zich halverwege het verhaal al naar het bos gedraaid. De tweede helft van Wiebe’s verhaal had ze niet meer gehoord. ‘Dus we moeten onvoorspelbaar zijn,’ mompelde ze. Ze begon naar de boomgrens te lopen. ‘Alle kanten op rennen…’

‘Uh, Hennie?’ vroeg Wiebe.

‘Ik ben weg, weg hier!’ Haar stem vol oorlogswoede. Ze liep dichter naar de bomen. 

In zijn hoofd zag Wiebe Hennie het bos uitrennen. Misschien was ze een einzelgänger, maar dit verhaal zou ze niet voor zichzelf houden. Dit verhaal, zijn verhaal, zou bij de politie terecht komen, bij de kranten. Niet de schoolkrant, maar de regionale kranten. De provinciale en landelijke. De wereldkranten. Zijn verhaal!

Even staarde hij naar de man. Orka was in het ondiepe water gaan liggen en had zijn kop op de borst van de man gelegd. Ze zagen eruit alsof ze ieder moment in slaap zouden dobberen. Het is te ondiep om te verdrinken, dacht Wiebe. Maar hij had genoeg gelezen over baby’s en bejaarden die in bad verdronken om dat te geloven. Hij keek weer om en zag Hennie turend langs de bomen lopen. Een scheut paniek draaide door zijn buik. Hij rende op haar af, dwars door de steken in zijn heup, elleboog, bovenrug, en die walgelijke pijn in zijn rechterpols heen. Misselijkheid mengde zich in de paniek.

‘Wacht, wacht!’ riep hij. ‘We moeten wel ergens naartoe rennen. We kunnen niet ergens gaan stilstaan en twijfelen.’ 

Hennie bleef ondertussen op en neer lopen aan de rand van het zwarte veld. Ze keek hem aan. ‘Ik ken het alleen aan de overkant van het meer. Jij weet waar we hier eruit kunnen komen?’ Ze wees het bos in waar het hout grommend tegen elkaar wreef. 

Wiebe dacht even na. Toen de bomen hem dood hadden proberen te slaan was hij te gedesoriënteerd geweest om te weten waar hij naartoe rende. Maar hij was al vaak op dit veld geweest. Hij knikte voorzichtig. 

‘Oké,’ zei Hennie, ‘jij voorop.’ Ze maakte een paar schijnbewegingen en rende naar het bos. Tussen de brandwonden op Hennie’s benen sprongen vlokken gedroogde modder los. Wiebe strekte zijn armen alsof hij haar wilde vastgrijpen, tegenhouden. Toen vloog ze ineens weer terug. De bomen sloegen veel te laat op de plek waar Hennie het bos bijna in was geschoten. ‘Je lijkt gelijk te hebben,’ mompelde ze, terwijl ze als een hongerige tijger het bos instaarde.

Wiebe had weinig tijd om na te denken. Als ik niet voorga, gaat ze zonder mij. Ik moet als eerste het bos uit zijn.  

Eén,’ begon Hennie. Wiebe schudde even zijn hoofd. ‘Nee, wacht!’ ‘Twee.Oké, focus, focus! Wiebe helde voorover richting het bos. ‘DRIE!’ Tegelijk begonnen ze op en neer te rennen. Zigzaggend naderden ze de bomen totdat Wiebe een opening zag. Hij schoot naar binnen, vloog meteen naar links. Rende voorbij de eerste boom, meteen weer naar rechts. Om hem heen klonk gekraak en explosies van bladeren die op de grond neerkwamen. Wiebe bleef van richting veranderen. Rechts links een stuk vooruit sprong terug draai naar links bukte nog net op tijd voor een massieve tak rechts links. Hennie? Hij keek niet om. Een grote muur bramen. Hij kon er niet om heen. Als hij er langs zou rennen zou het een rechte lijn zijn. Hij draaide zich om, vloog vier meter terug, rende parallel aan de bramen in een patroon dat leek op de uitslag van een seismograaf tijdens een heftige aardbeving.

Voorbij de bramen zag hij het licht al. Hij bleef heen en weer springen, duwde zichzelf weg tegen boombasten om plots van richting te kunnen veranderen. Hij vloog over een boomstam heen en knalde bijna tegen de kapotgeslagen boswachtersauto aan. Er klonk een schreeuw achter hem. Wiebe wilde om de auto heen rennen, maar hoorde nog net op tijd het gebladerte door de lucht snijden. Om de groene flits in zijn ooghoek te ontwijken, sprong hij op de motorkap, rolde er overheen, viel aan de andere kant op de grond en landde op zijn gebroken pols. De pijn was zo verschrikkelijk dat hij even dacht dat hij flauw ging vallen. Dit is van mij, van mij! schoot er door zijn hoofd. De gedachte stak al zijn spieren aan. Als een steekvlam schoot hij overeind. Hij beukte met zijn hoofd tegen de boswachtersarm aan die uit het portier van de Toyota hing en even heen en weer bungelde. Maar Wiebe had het niet door. Hij moest rennen. Weg. 

Een dunne lijn lichtblauwe lucht recht boven hem. Op het pad was er meer ruimte tussen de bomen, maar ze zouden hem nog steeds kunnen neerslaan. Hij rende naar links tot hij de basten bijna aan kon aanraken. Maar voor de takken op hem neer kwamen, sprong hij weer naar rechts, bleef doorrennen totdat de bomen daar ook voorover bogen en hij weer naar links moest. Nog een klein stukje. ‘Kom op kom op!’

Hij rende de zandheuvel af, ontweek een dikke uit de grond stekende wortel die trilde alsof hij los probeerde te komen. Wiebe sprong over de rol prikkeldraad, struikelde wat stappen door en viel voorover op de brede weg die door het bos kronkelde. Achter hem kraakte het alsof er graniet werd gemalen. Niet mijn benen, mijn benen! Met zijn nagels schrapend over het plakkerige asfalt trok hij zichzelf vooruit, tot hij precies in het midden van de weg lag. Achter hem — zelfs de bomen voor hem, in het stuk bos waar hij helemaal niet was geweest — ruiste en kraakte alles woedend op en neer. Een aantal bomen sloegen nog zijn kant op, maar het waren meters van waar Wiebe op de grond lag.

Wiebe bleef op zijn buik liggen, glimlachte, probeerde adem te halen, maar zijn lijf werkte tegen. Zijn middenrif was verzuurd, zijn ribben een stalen kooi, zijn bovenrug een vuist die bij iedere ademteug van boven op zijn longen sloeg. Wiebe zag kleuren, flitsen in de buitenste ring van zijn visie. Zijn rechterwang gloeide. Hij veegde er langs met zijn hand die volledig rood terug kwam. 

Toen leken de bomen achter hem weer aan te zwengelen en hoorde Wiebe gekreun en gehijg achter hem op de heuvel. Hij keek om. Hennie leek iets te zeggen, maar het klonk als een peuter die in paniek aan het brabbelen was. Haar ogen waren diep en leeg, alle hoop eruit geslagen. De rechterkant van haar gezicht was een rode druipende massa, haar linkerbeen een homp vlees dat ze als extra gewicht mee moest slepen.

Ze strompelde om het prikkeldraad heen en werd net gemist door een grote tak die over haar hoofd zwiepte. Haar gezicht stond op doodsangst, maar ze leek het te halen. Een laatste boom boog met een bijna menselijke brul voorover en raakte de enkel van Hennies slappe been. ‘AAAAARGH!’ Ze perste elke spier in haar gezicht samen. Maar ze hinkte door tot vlak voor Wiebe, en liet zich op haar knieën vallen. Een glimlach, die door angst uit elkaar getrokken leek, trilde op haar gezicht. Het bos kraakte, ruiste, blies in stoten zand over hen heen.

Hennie knikte, en knikte, en knikte. ‘Ja,’ zei ze terwijl er een traan ontsnapte. ‘Ja. Naar huis. Anne. Naar Anne. Ze moet—’

Ssssshhhhk! 

Hennie’s ogen en mond sprongen open. Haar ademhaling stopte. Ze bewoog niet meer. De rol prikkeldraad was om de linkerkant van Hennie’s gezicht en schouder geslagen. 

Wat…? dacht Wiebe. Vanaf de rol liep er één enkele draad naar het hek om het gasunie-huisje. Wiebe fronste. Hoe is die door de lucht—wacht. Wow! Een boom had tegen de rol prikkeldraad geslagen als een houten golfclub. Wauw, ze zijn echt super intelligent, dacht Wiebe. Fascinerend.

Aan de bosrand maakte een grote tak trage gravende beweging over de grond, en trok zo aan de draad die tussen het hek en het prikkeldraad om Hennie’s hoofd liep. Hennie begon in stoten naar achter te schuiven. Misschien wilde ze “Help!” zeggen, maar uit haar open mond kwam enkel het geluid van een traag openkrakende deur.

Het prikkeldraad zat als een band om haar hoofd en schouder en was in haar huid geslagen. Toch had ze het er makkelijk vanaf kunnen trekken als ze niet volledig verstijfd was, als ze nog kracht over had. 

Wiebe had het makkelijk voor haar kunnen doen.

Want Wiebe voelde zich krachtig, alle pijn verdoofd, had gewoon op kunnen staan en de pinnetjes uit Hennie’s schedel kunnen trekken zodat ze samen het bos konden verlaten. 

Geen probleem. 

Maar Wiebe bleef op de grond zitten en keek toe.

Terwijl Hennie hem geschokt aan bleef staren, schudde Wiebe langzaam zijn hoofd. ‘Sorry,’ zei hij, ‘dit is mijn verhaal.’ 

Hij duwde zichzelf overeind en liep terug naar het dorp. En terwijl achter hem Hennie’s hoofd zich in een explosie van bloed en bot leegde tegen de boomstammen, vulde Wiebe’s hoofd zich met extase. De volgende dag zou iedereen op school het artikel lezen en de huiveringwekkende waarheid weten.

 

Verder Bericht

Laat een reactie achter

© 2020 Oscarving

Thema door Anders Norén

nl_NLDutch
en_GBEnglish nl_NLDutch