Boeksculpturen

Paashaasaas

Er verdwijnen al jaren kinderen in de staatsmijnen. Bende gaat met haar vader op jacht met behulp van een enorme wortel. Maar als men kijkt naar waar de mijnen de laatste jaren voor gebruikt worden, is een jacht dan wel zo verstandig?

Dit verhaal bevat lugubere elementen.


Kopie #1417

Dit verhaal is NIET vertrouwelijk: gelieve te verspreiden onder iedereen met jacht- en/of militaire ervaring, wonende binnen reisafstand van de oude Staatsmijn Wilhelmina, Terwinselen, Nederland.

Wat is het meest gruwelijke dat u als ouder kan overkomen? Mijn verhaal zal dat overtreffen… Ik hoop dat u alles hieronder uitleest en het dan deelt met anderen, ook al begrijp ik, gezien de inhoud en de geloofwaardigheid, dat dat lastig kan zijn. 

Alles begon met een wortel van twaalf kilo. Twaalf kilo? denkt u misschien. Onmogelijk. En ja, ik weet dat de meeste wortels in een grote cirkel om de Wilhelminamijn, ondanks dat ze onnatuurlijk groot kunnen worden, niet voorbij de drie tot vier kilo komen. Maar die van twaalf kilo kwam ook niet uit de grond: ik had hem zelf gemaakt.

Achter in de tuin, in het fietsenschuurtje, had ik twee avonden lang met een cirkelzaag de kleinere wortels aan stukken gesneden en aan elkaar gelijmd. Daarna sneed ik met een stanleymes wat maïsbladeren tot wortelgroen die ik vastplakte aan het dikke gedeelte van de reuzewortel. Toen alle lijmlucht uit het schuurtje verdwenen was, stonk het alleen nog naar die ranzige stamppot die mijn vrouw altijd maakte, maar de gigantische wortel pronkte eindelijk op de betonnen vloer. Ik leunde mijn hoofd uit het smerige raampje. ‘Bende! Het is ahaf!’

 Ze kwam natuurlijk niet meteen — druk bezig met het wieden van de rozen van de buren, of om iets aan te steken dat niet hoorde te branden. Maar na een paar keer roepen danste mijn neuriënde meisje naar binnen. Toen ze de wortel zag begon ze meteen te fladderen. 

‘Wauw, papa papa papa! Dankjewel!’ Ze knuffelde me. Ze knuffelde de reuzewortel. ‘Oooooh, hij is zo lief.’ Met haar vingers ging ze langs de maisbladeren. ‘Auw!’ Ze trok haar hand naar haar ogen. ‘Oh, wauw. Papa, kijk’ — ze liet haar vingers zien — ‘bloed!’ Het rood stroomde stroperig over haar vingers naar de rest van haar arm. Met open mond staarde Bende er even naar, leek het meteen te vergeten, en knuffelde de wortel weer.

‘Bende, wacht, kom eens.’ Ik klemde mijn handen om haar polsen als om de horens van een doorgeflipte stier. Dat stroomt er wel erg snel uit. Mijn adem ging wat sneller. Ik stak de vingers in mijn mond, zoog het bloed op, en bekeek de huid in de seconde voordat het bloed weer begon te stromen. Maar de sneeën die op een rijtje haaks over alle vingers liepen, leken niet diep. Het bloedde alleen nogal erg. Mijn adem kwam weer tot rust. Daar bloedt ze niet dood van. 

Ik wilde het ook niet meteen gaan schoonmaken, want Bende was zo blij! Ze knuffelde en kuste de wortel met de liefde die ze voor alles had, of het nu een kloppend hart had of niet. 

‘Oma zegt dat het niet gaat lukken,’ zei Bende. Ze had haar armen om de wortel geslagen en aaide hem met lange halen. Dikke strepen bloed kleurden het oranje donkerder en vulden de spleten waar ik de kleinere wortels aan elkaar had gelijmd.

Ik zuchtte. ‘Wat heeft oma nu weer gezegd?’ 

‘Ze zegt dat de paashaas kinderen eet.’

‘Kinderen?’ Ik snoof. ‘Zitten haar rimpels nu ook in haar hoofd?’

Maar Bende lachte niet. ‘Kinderen ja! Ze zei dat de paashaas kinderen eet en dat hij eieren maakt van die kinderen en dat net zo doet zoals wij poep maken van eten. Daarom verdwijnen er altijd kinderen bij de mijn en iedereen weet dat en niemand gaat ze zoeken en niemand durft dat en-en-en!’ Bende draaide rondjes met haar hoofd alsof ze het verhaal van alle kanten probeerde te bekijken.

Waarom moest mam dat nou weer vertellen? Er verdween ieder jaar wel een kind, ja, maar dat waren de domme kinderen. De mijnen waren al jaren afgesloten. Helaas nam niemand — niet de overheid, niet de gemeente, niet eens die sukkel van een wijkagent — meer de moeite om de hekken te controleren, en de kinderen hadden de gaten groot genoeg gemaakt om er doorheen te kunnen glippen. Veel kwamen er terug, met geheime verhalen die ze fluisterend buiten het bereik van de volwassenen hielden, maar niet de jongens die zo stoer waren om de mijn in te gaan. Die kinderen werden nooit meer teruggezien. 

‘Bende,’ zei ik, terwijl ik op haar hoofd duwde om haar rustig te krijgen. ‘Bende! Kom nou, kinderen? De paashaas is een haas. Wat eten hazen?’

‘Wortels!’ riep Bende zo hard dat het woord bijna mijn trommelvlies scheurde. Ik vertrok mijn gezicht.

‘Bende, volume lager.’ Ik bewoog mijn vingers in de lucht alsof ik aan een knopje draaide.

‘Sorry papa.’ Maar alsof de belofte enkel wat klanken waren, barste ze meteen los in een aria over een of ander knollenland. De ramen trilden. Ik sloeg een arm om Bende’s lichaam en deed een hand over haar mond. De melodie klonk blij maar gedempt verder en trilde tegen mijn pols. Haar tong gleed steeds tegen mijn handpalm, maar ik liet niet los. 

‘Wortels ja.’ Ik gaf een trapje tegen de wortel. Hij wiebelde. ‘Help je even? Dan tillen we hem op de Bendmobiel.’

Bende’s ogen werden groot. ‘Ja!’ Ze rukte zich los, rende naar buiten en pakte naast de schommel de poging-tot-geel-geverfde bolderkar. Ze huppelde terug langs al haar emmerhelmen, de flessenxylofoon, en het standbeeld van blikjes dat ergens wel op mij leek (de neus was nogal lang). 

Bende trok haar Bendmobiel over de drempel van het schuurtje. Hij hobbelde een keer, viel om, en ze schuurde hem vrolijk over het beton naar binnen.

‘Bende!’ zei ik lacherig. ‘Zitten er niet genoeg krassen op?’ 

Ze keek om, zette onrustig de Bendmobiel weer recht, en parkeerde de bolderkar tegen de wortel aan. Geamuseerd keek ik hoe ze de reuze groente probeerde op te tillen, maar alleen het puntje de lucht in kreeg. Ze smeerde er alleen maar meer bloed op.

Ik schudde glimlachend mijn hoofd. ‘We moeten wel zo even je handen schoonmaken. Als je moeder thuiskomt en het hele schuurtje zit onder het bloed…’ Met een O als mond, sloeg Bende haar handen tegen haar wangen. Toen ze weer losliet stonden er rode vingers op haar rechter wang.

Terwijl Bende de punt van de wortel vasthield, tilde ik het zware gedeelte omhoog. De blikken bodem van de Bendmobiel kraakte, maar hij hield het. Voor we vertrokken spoelden we Bende’s bebloede vingers en gezicht schoon met de tuinslang, en na zes pleisters gingen we op jacht.

Bende moest wat voorover hangen om de Bendmobiel in beweging te krijgen. Maar zelfs toen hij eenmaal rolde was het een spartaanse strijd voor een 6-jarige om hem over de zandweg vol verdwaalde bakstenen en kuilen achter de huizen voort te blijven trekken. Toch verzocht Bende het allemaal zelf te doen. Met verzocht bedoel ik: ‘Nee! Los! Ik doe het zelf!’.  

Net voorbij de eerste bocht, waar we de rand van de woonwijk verlieten en de Limburgse heuvels groeiden, werden de kuilen dieper. We staarden allebei naar de grond om de grootste te vermijden waardoor we hem niet aan zagen komen. Schrapend uit stofwolk kwam er een fiets naast ons tot stilstand. De mond van de jongen stond open, en zijn schedelvorm deed vermoeden dat zijn mond echt niet dicht kon. ‘Jo, Bende. Wat he je nu weer gevonden?’

‘Niet gevonden!’ zei ze. ‘Die heeft papa gemaakt.’ Ze deed haar borst naar voren en klopte op de wortel. ‘We gaan de paashaas vangen.’

‘Hiermee.’ Ik tikte glimlachend op de spiegelreflex om mijn nek.

De jongen gaapte ons aan. Alles achter zijn ogen leek leeg te lopen. ‘Toch nie bij de mijnen, hè?’

Praat mam met alle buurtkinderen? dacht ik geërgerd. Ik schudde mijn hoofd.

‘Jawel,’ zei Bende uitdagend, ‘bij de Wilhelminamijn. De grote ingang.’ 

‘Me vader zegt da de mijnen nie veilig zijn,’ zei de jongen voorzichtig. Hij keek om zich heen. Zijn knokkels om de handvatten van het stuur werden witter. 

‘We gaan niet naar binnen hoor!’ zei Bende kwaad.

De jongen glimlachte zwakjes. ‘Alleen in de buurt zijn zegt pap al van: nie doen. Dat is door dat nu-culaire afval.’

Nucleaire afval?’ verbeterde ik de jongen.

Hij knikte. ‘Me pap zegt da we gaan verhuizen. De stralen zijn nie veilig. Daarom.’

Bende keek me aan, iedere pupil een bolletje onder een vraagteken. 

‘Oh, maar ik vertrouwde het ook eerst niet hoor,’ zei ik met een zachte glimlach. ‘Maar ik ben bij de bijeenkomst geweest. Ze zijn de oude mijn inderdaad gaan gebruiken om de opslag van kernafval te testen. Klinkt eng, maar: voor de veiligheid hebben ze het afval in metalen vaten gestopt, en die vaten zijn weer weer volgegoten met beton. Natuurlijk moesten de vaten iets kleiner worden gemaakt, anders pasten ze niet door de gangen van de mijn, maar nog steeds zou daar bijna geen straling doorheen moeten kunnen komen. Misschien een beetje, maar dat maakt zo diep onder de grond echt niets uit. De plaatjes en berekeningen in de powerpoint waren wel overtuigend.’ 

De jongen keek me even aan alsof zijn enige hersencel zojuist gesmolten was en zette zijn voet op een trapper. ‘Dag Bende.’ Toen hij schrapend wegfietste, terug naar de huizen, werden we bekogeld met steentjes. 

Dan niet, dom kind, dacht ik. Ik hoop dat hij een keer de mijn in gaat.

Bende keek nog steeds vragend. ‘Wat is nuclinaire afval?’

‘Nu-cle-ai-re,’ zei ik rustig. ‘Kernafval. Dat is een soort afval dat je overhoudt als je kernenergie maakt. Van kernenergie maak je weer stroom voor de lampen. Alleen is kernafval gevaarlijk, omdat je van het afval erg ziek kan worden. Dan kan je mu-ta-ties krijgen. Daardoor kan je helemaal misvormen en—’

‘Wauw, dat wil ik ook!’ Bende liet de Bendmobiel los en snelde vooruit, stofwolkjes om haar schoenen. ‘We gaan zo de mijn binnen en dan zoeken we die nucli-aire afval en dan heb ik straks… vleugels en kan ik vliegen! Ja! Kom op papa!’

Ik bleef staan en raapte het handvat van de Bendmobiel op. ‘Bende, terug.’

Alsof haar accu uitviel kwam ze langzaam tot stilstand. Even wiebelde ze op haar plaats, keek naar mij, keek weer de heuvels in. Toen rende ze terug en begon ze aan mijn hand te trekken. Maar ik bleef staan en ketende haar hand met die van mij. ‘Bende?’ Ik zakte door mijn knieën. ‘We gaan niet de mijn in. Dat had ik al gezegd. En je moet me beloven dat jij nooit, nooit daar naar binnen gaat, oké? Je krijgt geen vleugels van dat afval, maar misvormingen, diep in je lichaam. Daar kan je dood aan gaan. Niet dat dat in de mijn kan gebeuren, want alles is veilig opgeslagen, maar de mijn is op andere manieren gevaarlijk. Je kan daar verdwalen, vallen, een been breken, en dan zien we elkaar nooit meer.’

Bij de laatste woorden leek er een stroompje door Bende’s pupillen te schieten. Even stond ze fronsend naar de grond te kijken, toen keek ze me droevig aan. Ze sloeg haar armen om mijn hals. ‘Ik wil je niet nooit meer zien papa,’ zei ze net iets te hard in mijn oor. 

Ik trok mijn hoofd opzij, maar de piep snerpte al door mijn hoofd als een remmende trein. Fijn, dacht ik, hier heb ik de hele dag last van. 

‘Zullen we gewoon maar eens gaan kijken of we die paashaas kunnen vangen dan?’ zei ik brommend, dicht bij haar gezicht.

Bende begon meteen weer te gloeien. ‘Ja! Kom op! Geef m’n Bendmobiel terug!’ Ze trok de Bendmobiel uit mijn handen. Ik lachte even door mijn neus.

Een klein kwartier, maar vele grote verhalen van Bende, later, stonden we bij het hek. De lijsterbesstruiken die er tegenaan groeiden, staken er drie, vier keer zo hoog bovenuit. De lijsterbessen zelf leken op volgroeide perziken en hadden een ongezonde groene kleur. Door de weerkaatste zonnestralen leken ze zelfs een beetje licht te geven. 

We duwden wat takken opzij en hadden al snel een opening in het hek gevonden. Eerst kroop Bende door het gat. Ik hielp haar met de wortel, toen met de Bendmobiel, maar daarna moesten we nog behoorlijk wat grond afgraven voordat ik me door de opening kon wurmen. Mijn nagelranden werden bruin en roken naar aarde.

‘Minder wortels eten pap.’ Bende maakte bolle wangen en wreef met twee handen over haar buik. Ik kon mijn middelvinger nog net binnenhouden en schudde met mijn vuist. Bende lachte.

Aan de andere kant van het hek negeerden we de rood omlijnde borden en liepen door. Na jaren menselijke afwezigheid, groeiden er, naast het spoor dat naar de mijn liep, overal eiken. Hoe verder we kwamen, hoe groter hun schaduw. Verderop in de lucht, tussen de eikenbladeren door, keken de grote wielen, die de kooien vol mannen hun werk in- en uitgetakeld hadden, veroordelend op ons neer. Jullie mogen hier niet komen! Ga terug!

Het treinspoor zat vol roest, de bielzen aan de zijkant weggerot of aangevreten door de boktorren. Bende moest perse tussen de rails doorlopen en de Bendmobiel bonkte over de bielzen. Na wat minuten sluimerend achter haar aangelopen te hebben, vechtend tegen mijn dichtvallende ogen van alle avondjes klussen, kwamen we bij de treintunnel aan die de mijn inliep. We staarden naar binnen. Als ik mijn armen zou strekken zou ik de bovenkant van de tunnel net niet aan kunnen raken. Na een paar meter begon een wenkende duisternis; een open mond waar niets uit terug kon komen.

‘Oké Bende, hier is het,’ fluisterde ik. 

‘JAAAA!’ riep Bende. In de tunnel: AAaaaa… Aaaa… aaa… ‘We gaan hem pakken, we gaan hem

‘Shhh, Bende!’ Ik legde een vinger op haar mond. De echo van haar stem leek wel tien seconden hoorbaar in de boog van de tunnel. ‘Straks schrikken we hem af. We moeten hem lokken met wat hij lekker vindt.’

Het was één van de zeldzame momenten waarop Bende begreep dat ze toch echt stil moest zijn. Dat ze het begreep betekende niet dat het ook lukte, dus toen ze de Bendmobiel een paar meter voor de tunnel had geparkeerd, kwam ze gillend mijn kant op gerend. Rechts van de tunnel lag een met gras en onkruid begroeide berg steentjes waar we ons achter verscholen. Ik legde de camera er bovenop, gericht op de opening van de tunnel.

‘Nu hoeven we alleen maar te wachten,’ fluisterde ik. ‘Maar geen geluid! Anders denkt de paashaas dat het een val is en komt hij niet naar buiten.’

Bende knikte met enorme ogen. Steeds ging haar mond open en sloeg ze haar hand ertegenaan. Ze ging op haar buik in het gras liggen en staarde stil naar de tunnel.

Mooi, dacht ik, mooie oefening. Zeiken ze na de vakantie wat minder. Ik wist niet hoe lang ik mijn ademhalingsoefeningen nog kon volhouden als ik weer een gesprek of een brief kreeg met ritalin als onderwerp. De sukkels.

Natuurlijk had ik niet verwacht dat Bende lang zou zwijgen, maar na tien minuten lag ze nog steeds zo vogelverschrikker stil dat ik wat zenuwachtig controleerde of ze nog ademhaalde. Gelukkig ging haar rug een paar keer op en neer, en ik durfde me op mijn rug te draaien en mijn ogen dicht te doen. Paar minuutjes maar. Ik begon weg te glijden, mijn spieren ontspanden. Achteraf gezien was dat de laatste keer dat ik ooit nog rust heb gevoeld.

* * *

doem.

Ik werd wakker van het geluid. Vaag, zacht, ver weg. Mist in mijn hoofd.

doem.

Ik ademde in, pijn spijkerde in mijn rug. Sukkel. Op een heuvel gaan liggen slapen. Pff.

badoem.

Wat? Een kloppend hart? Wel groot. Een walvishart? Het kwam dichterbij. Mijn ogen leken aan elkaar geplakt. Wat is dat geluid? 

badoem. Badoem.

Ik probeerde mijn ogen te openen, maar ze voelden zuur aan. Jezus, hoe lang was ik weg? Ik perste mijn oogleden op elkaar om de slaap er uit te knijpen, wiebelde wat met mijn schouders. Ik leek vastgezogen aan de grond. 

Badoem. BAdoem. BADOEM.

Met mijn linkeroog op een kiertje draaide ik me naar Bende net op het moment dat ze met een schok overeind ging zitten, vuistjes voor haar mond, ogen nog groter dan haar levenslust. 

BADOEM. BA

‘Papa,’ zei Bende alsof ze het woord uitblies. Haar onderkaak lag bijna op haar borstbeen.

Ik kneep mijn ogen een paar keer stevig dicht en schudde de slaap van me af. Knipperend tegen het licht in, draaide ik me weer op mijn buik en staarde naar de tunnel. Waarschijnlijk was er slaapzand voor mijn pupil gekropen, want bij de tunnel zat een grote, bewegende vlek. Wat is dat? Ik knipperde goed met mijn ogen. Toen alle elementen samen vielen hapte ik naar adem: er zat een enorme haas voor de tunnel die aan de wortel op de Bendmobiel snuffelde. Alleen — het was geen haas. Of het was wel een haas? Het beest richtte zich op op zijn achterpoten en bewoog zijn snuit in de lucht. Overeind torende hij ver boven de tunnel uit. Er was een hoop mis met wat ik zag: een buidel vol uitpuilende bobbels, voorpoten van zeker twee meter met een rare knik aan het einde en scheve smerige nagels die net zo zwart en klonterig waren als zijn vacht. Maar het meest beangstigend was zijn snuit: op de plaats waar een schattig bolletje snorharen had moeten zitten, liep er een meterslange, behaarde krokodillenbek uit zijn schedel. Het dier — dier? — smakte een paar keer. Groene slijmdraden dropen dik van een rij tanden die leken op kapotgeslagen glas.

‘Papa,’ fluisterde Bende die met haar armen wapperde, ‘snel, foto!’ Ze pakte de camera, keek er doorheen, maar haar handjes trilden. Ze richtte alle kanten op, gleed met haar vingers van de afdrukknop, liet de camera bijna vallen.

Dit is echt… Ik nam de camera over, hing de draagriem om mijn nek, begon te klikken. Iedere foto die ik maakte bekeek ik opnieuw. Onmogelijk, dacht ik. Onmogelijk… Onmogelijk… Ik keek van het schermpje weer naar de haas om te zien of de foto niet gewoon te veel bewogen was, een wazig, onbestaand monster had vastgelegd. Maar de gigantische haas bij de tunnel en op mijn LCD schermpje waren identiek… Ik richtte de camera opnieuw en zag toen aan de rechterkant van het scherm iets bewegen.

‘Bende, nee!’ riep ik.

Bende rende door tot voor de haas, pakte de Bendmobiel, en begon de wortel voort te trekken, weg van de tunnel, bonkend over de bielzen tussen de rails. De haas draaide zijn kop scheef en zijn snorharen bewogen wild als worstelende angels op en neer.

‘Papa, snel, foto! Dan sta ik er ook op!’

‘Bende, kom terug!’ Ik wilde overeind komen, maar de haas had me gehoord. Hij draaide zijn kop mijn kant op. De rode ogen schoten door me heen als een speer die door mijn ingewanden draaide en me vast prikte aan de grond; ik mocht niet meer bewegen. 

De haas hupte op Bende af. BADOEM BADOEM. Bende keek achterom, versnelde, begon vrolijk te gillen. De oren van de haas, vol gaten en missend haar, schoten omhoog. Hij draaide nog een keer zijn kop scheef, sprong op Bende af, en sloeg met een voorpoot de Bendmobiel opzij die tientallen meters verder met een knal op de grond in elkaar vouwde alsof hij van karton was. De wortel vloog nog verder en spatte tegen een wolkenkrabber eik uit elkaar.

De haas had Bende… klemde zijn nagels om haar heen, tilde haar de lucht in. Bende’s gilletje van pret sprong over naar een gil van paniek. ‘PAPA! PAPA HEEEELP!’ 

Het beest boog zijn poot en Bende kwam steeds dichter bij zijn snuit. Bende… De speer sprong uit me los, ik kwam overeind. ‘HÉ!’ schreeuwde ik. ‘HÉ! Smerig kutbeest laat los HÉÉÉÉÉ!’ Ik klom over de heuvel, struikelde bijna naar beneden, begon te sprinten. De haas draaide even zijn kop, de duivelsogen brandden in die van mij, maar ik bleef op hem afstormen. Hoe enorm dat beest ook was, hoe scherp die tanden, hoe angstaanjagend die ogen: Bende! Hij moest weg, loslaten, dood! Op de grond lagen alleen maar kleine steentjes. Door het rennen sloeg de camera tegen mijn borst. De camera! Ik trok hem aan de draagriem van mijn nek en zwiepte hem met volle kracht tegen de buidel van de haas aan. De bobbels in de vacht veerden mee naar binnen. KRAK! De draagriem gleed uit mijn hand, de camera sprong terug en landde met een klap op de rails in stukken. De haas bewoog nauwelijks bij de impact, maar maakte een schril geluid als een versterkt brandalarm. Het geluid priemde door mijn trommelvliezen. Ik zette mijn handen over mijn oren. De haas, de tunnel, de bomen, de lucht, alles leek te draaien, te verplaatsen naar willekeurige plekken. Waar ben ik? Waar is de Haas? Bende! Ik sprong te laat opzij; de haas zette zijn achterpoot tegen mijn borst en ik viel op de grond. 

Bende gilde onverstaanbare dingen. Mijn borstkas werd ingeduwd. Ademen deed pijn. Ik kon me niet meer bewegen. Ik moest gemarteld aanhoren hoe Bende bleef schreeuwen. ‘Papa!’ Maar het klonk al zachter, tussen het gehuil door. Ik zat vast onder de poot. Boven mij bewoog de haas Bende weer naar zijn bek en hield haar tegen zijn snuit, de scherpe snorharen wild op en neer bewegend, het schrapende geluid van kinderzweet dat in schokken een smerige neusholte binnen werd gesnoven. Lange slijmdraden stroomden uit zijn bek op mijn gezicht. ‘Aah!’ Alsof het vol maagzuur zat; mijn huid leek te smelten. 

Een goor geluid, alsof de haas zijn keel aan het schrapen was, kraste door de lucht. De gemuteerde paashaas bewoog Bende weer van zich af, alsof hij haar niet lustte. Ja! Laat haar los, smeekte ik in gedachten; de druk op mijn borst was te groot om te praten. Laat haar zakken. Laat haar zakken.

Even leek het alsof het beest haar weer neer zou zetten. Toen sloeg hij met zijn vrije achterpoot twee keer op de grond. DOEM DOEM. Alles trilde. De knal echode diep de tunnel in. En weer DOEM DOEM. Bij de derde keer vervormde de echo. Langzaam klonk het als de oorlogskreten van hongerige inboorlingen. Geritsel. Gefladder. Een stroom wilde beesten vloog de tunnel uit. Woakwoakwoakwoak. Ik kon niet om de haas heenkijken. Wat zijn dat? dacht ik angstig. Ze klonken kwaad, bloeddorstig. Toen zwermden ze om mij en de haas heen.

Kippen? dacht ik nog. Honderden witte kippen sprongen en fladderden op en neer.  Woakwoakwoakwoak. Maar ze waren niet echt wit. De een had een groene tint. De ander een rode. Blauw paars oranje geel. Als ik niet door een of ander monster geplet werd had ik me afgevraagd hoe die gekleurde kippen in de mijn overleefden. Maar helaas kreeg ik het antwoord snel.

De kippen renden rondjes onder Bende en pikten naar haar voeten. De haas leek nog even te wachten tot de laatste kip kwam aanfladderen. Toen liet hij Bende langzaam dalen en de kippen raakten in een soort hondsdolle razernij, leken tegen haar benen op te klimmen, elkaar opzij te slaan met hun vleugels.

‘AAAAAAUW! AUW! PAPAAA!’ schreeuwde Bende toen de kippen in haar benen begonnen te pikken.

‘Benduhh.’ Haar naam was niet meer dan een pufje lucht. Ik kon nauwelijks inademen met die poot op mijn borst. Terwijl Bende schreeuwde, begonnen er vlekken in haar broek te ontstaan. Langzaam raakte de spijkerstof verzadigd met bloed. De stukken broek die de kippen lospikten werden meteen verorberd. Rode smurrie droop van Bende’s benen en verdween in de kolkende verenmassa. 

Ik wilde schreeuwen, alle kippen in één keer onthoofden, hun koppen eraf rukken met mijn blote handen. Ik kronkelde zoveel mogelijk om onder de naar stof ruikende hazenpoot uit te komen. Bende. Ik bleef wiebelen. Nog een beetje—

KKKRRRAK. Er knalde een zieke pijnscheut door mijn ribben. De druk op mijn borst verdween. Ademen lukte me alleen nog in kleine stoten. ‘Bende…’ kreunde ik. Ik was vrij, maar opstaan lukte niet; ik kon alleen een paar spieren aanspannen. Mijn ogen draaiden steeds weg. De haas hupte met Bende naar de tunnel. BADOEM. BAdoem. Badoem. Bende’s armen hingen, haar hoofd slap, ogen dicht, haar voeten waren verdwenen. De kippen hadden de helft van haar broek al aan flarden gepikt. Er viel een homp vlees uit haar rechter broekspijp op de grond. De kippen vochten om het stuk kind. Alles verdween in de tunnel. Badoem. badoem. bdoem. doem. doe. d. d. t. t…

Op de duizend schreeuwende nagels over een schoolbord in mijn oren na, was het stil. Een paar keer verloor ik mijn bewustzijn. Iedere keer schrok ik wakker, golfden de tintelingen door mijn lijf. Oh gelukkig, ik sliep… Bende. Bende? Het moest een nachtmerrie zijn geweest, of een psychose, of een voedselvergiftiging. Maar de pijn in mijn borst en mijn onvermogen om op te staan forceerden de werkelijkheid weer in mijn maag; de kots stroomde over mijn kaak, keel, borst. Het kon niet. Het mocht niet. Bende.

 Mijn vrouw — mijn ex… — vond bij thuiskomst bloed op de tegels in de tuin, druppels in het gras naar het fietsenschuurtje, in het fietsenschuurtje zelf. Er werd overal gezocht, maar iedereen bleef om de een of andere reden weg bij de Wilhelminamijn. 

Twee dagen heb ik daar gelegen, twee dagen. Twee dagen heeft het geduurd voordat er een groepje jongens door een gat in het hek kroop, hopend op een kleiner avontuur dan wat ze aantroffen. Geluid, lichten, mensen; ik kan het me nauwelijks herinneren.

Ik had zes gebroken ribben, een scheur in mijn borstbeen, bloed in mijn longen, in mijn urine. Mijn gezicht was aangetast door een tot op heden onbekend zuur. Maar mijn lichaam konden ze fiksen. 

Ik woon nu al twee jaar op de gesloten afdeling van het zwaarbewaakte Sint Ostara. Ik heb het ze keer op keer proberen uit te leggen, maar zelfs die vrouw die zegt dat ze haar haar gang moeten laten gaan, dat ze na een zelfmoordpoging vanzelf met Pasen wel weer op zal staan, geloven ze meer dan mij. 

Ze zeggen dat ik Bende heb vermoord.

Bende vermoord!

IK!!! 

Aan mijn ziekenhuisbed zeiden de rechercheurs dat haar bloed aan mijn kleren zat. Ik zei dat ze dat zelf gedaan had. Dat ze zich gesneden had aan de maisbladeren van de reuzewortel. Dat we daarmee die haas hadden gelokt. Ze lachten me uit! Of ik bewijs had voor mijn buitenaardse konijn. Ik zei dat het een haas was! ‘Kijk op mijn camera!’ Ik wist zeker dat ik foto’s had gemaakt. Zij vonden het wel erg toevallig dat de camera kapot gegooid was. Geen enkele foto kon uit de elektronica worden gered. Ik had het verhaal van de haas verzonnen. Ik vroeg ze hoe al mijn ribben dan kapot konden zijn. ‘Dat beest heeft me geplet!’ Daar konden ze natuurlijk niets zinnigs op verzinnen, maar ze bleven erbij dat ik Bende’s lijk — ik word zo misselijk als ik dat schrijf… — verstopte in de mijn, en daar gevallen moest zijn. Hoe ik vervolgens met zes gebroken ribben en een gescheurd borstbeen naar buiten had weten te komen, was geen antwoord op geweest. Ik smeekte of ze in de mijn wilden gaan zoeken, maar ze gingen niet mee doen met mijn “zieke spelletje”. Ik werd veroordeeld en opgesloten. 

Met de rechercheurs heb ik het opgegeven, en later ook met de verschillende psychiaters, hier in het Sint Ostara. 

Maar nog niet met u. 

Het kan dat ik binnenkort de printer niet langer meer mag gebruiken, want ze zeggen dat zolang ik behandeling weiger ik geen priviléges verdien. Ik hoop dus dat u iets voor me wilt doen. Als u me niet gelooft, geef dan op zijn minst dit verhaal door aan uw kennissen en familie. Maar als u me wel gelooft: ga naar de Wilhelminamijn. Bende leeft nog; iedere nacht zie ik haar, ze leeft! Zolang ik hier niet uit mag kunt u haar in mijn plaats gaan zoeken. Ik heb nog zo’n 8000 euro op mijn rekening. Voor als u haar vindt. 

Maar ben voorzichtig. Als u de mijn niet meer uitkomt is Bende alsnog verloren. Ik stel voor dat u een wapen meeneemt, ja, een wapen. Meerdere wapens en meerdere mensen. Of misschien een leger van een klein land als u dat kunt regelen. 

Alstublieft. 

Bende. Ze leeft nog. Ik weet het zeker.

 

Verder Bericht

Vorige Bericht

2 Reacties

  1. Christien 1 december 2019

    Gruwelijk en tegelijkertijd fascinerend. Wat een goed verhaal!

Laat een reactie achter

© 2020 Oscarving

Thema door Anders Norén

nl_NLDutch
en_GBEnglish nl_NLDutch